Scholen Da Vinci Sint‑Niklaas: waar rijke teksten leerlingen aan het denken zetten

Wie op een willekeurige dag binnenloopt in de lessen van de derde graad doorstroom van Scholen Da Vinci Sint-Niklaas, ziet geen leerlingen die haastig fragmenten scannen om vragen af te vinken. Je ziet leerlingen die samen lezen, aantekeningen maken, blijven stilstaan bij moeilijke passages en daar hardop vragen over stellen. Je hoort docenten die hun eigen leesproces zichtbaar maken: die naar betekenis zoeken, herformuleren, terugbladeren. En dat is niet alleen het geval tijdens de lessen Nederlands, want de teksten worden actief gekoppeld aan andere vakken, zoals filosofie, Engels, of zelfs wiskunde. Lezen is hier geen voorbereidende stap naar ‘het echte werk’. Het is het echte werk. Bekijk de printversie.

In Vlaanderen haalt bijna één op de vier vijftienjarigen het minimale leesniveau niet. Tegen die achtergrond is wat je hier ziet geen vanzelfsprekendheid. Net daarom profileert Scholen Da Vinci – met meer dan 1.200 leerlingen en verschillende finaliteiten – zich bewust als een school waar lezen wordt gezien als motor voor denken, onderzoeken en verbinden. Vooral in de derde graad is die visie uitgewerkt tot een samenhangende praktijk, gedragen door een team van docenten dat hoge verwachtingen combineert met de nodige ondersteuning. “De lat ligt hoog,” klinkt het bij leraar Nederlands Peter Cockelbergh, “maar mét begeleiding: leerlingen worden serieus genomen als lezers én denkers, en krijgen didactische ondersteuning om mee te groeien.”

De lat ligt hoog

Vertrouwen in teksten die iets vragen

De basis van die aanpak ligt bij een uitgesproken keuze voor teksten die ertoe doen. Geen versnipperde methodeteksten, maar volledige romans, middeleeuwse bronnen, filosofische essays en toneelstukken. Teksten die vragen oproepen, weerstand bieden en niet onmiddellijk hun betekenis prijsgeven. Die keuze vertrekt vanuit vertrouwen: in leerlingen, maar ook in de gehanteerde aanpak. Leerlingen worden ernstig genomen als lezers en denkers. Ze worden uitgedaagd, zodat hun comfortzone uitbreidt. “De lessen Nederlands zijn geen vrijblijvende leesmomenten: er staat iets op het spel, en daar wordt samen naartoe gewerkt”, vervolgt Peter. Docenten nemen niet aan dat begrip vanzelf ontstaat. Integendeel, ze maken expliciet hoe je een complexe tekst benadert. Via ondersteuning zoals ‘hardop denkend lezen’ verlagen ze de drempel voor leerlingen. “Complexe teksten worden niet vermeden, maar samen aangepakt”, legt leerkracht Nederlands Ann Moens uit. Begrijpen blijkt dan geen kwestie van talent, maar van strategie en oefening.

Lang genoeg blijven om diepte te bereiken

Binnen de derde graad werken leerlingen intensief vanuit bepaalde thema’s. Dat vraagt tijd, maar levert diepgang op in de vorm van een groeiende woordenschat, steviger conceptueel begrip en ruimte om verbanden te leggen. Een sprekend voorbeeld hiervan is het tweeluik Gruuthuse labo en Hadewijch labo, waarin leerlingen zich verdiepen in zowel literatuurgeschiedenis en -wetenschap, als wiskunde en (wetenschaps)filosofie. Het Gruuthuse-traject is ontworpen voor leerlingen wiskunde/wetenschappen en moderne talen, om Nederlands te verbinden aan wiskundig denken. De leerlingen humane wetenschappen achterhalen dan weer hoe geesteswetenschappen als literatuur en filosofie samenkomen in Hadewijch.

De twee zorgvuldig opgebouwde lessenreeksen werken elk toe naar daglange masterclasses met een gerenommeerde medioneerlandicus: prof. Frank Willaert (UA) voor Gruuthuse en prof. Frits van Oostrom (UU) voor Hadewijch. Ze lezen in de lessen Nederlands fragmenten uit de originele middeleeuwse teksten, onderzoeken de historische context en analyseren hoe onderzoekers zoals Willaert en van Oostrom de medioneerlandistiek mee vormgaven. Zo ontstaat een eerste laag: het begrijpen van de Middelnederlandse teksten vanuit diverse literatuurwetenschappelijke invalshoeken.

Die inzichten reiken verder dan één vak. Beide paralleltrajecten hebben een uitgesproken vakverbindende tweede laag. Bij Gruuthuse verbinden de leerlingen de gezongen dimensie van liederen aan het akoestische fenomeen van samenklank en trillende snaren, dat in de lessen wiskunde wordt geanalyseerd aan de hand van grafieken en sinusfuncties. Bij Hadewijch vormt filosofie de brug, door Hadewijch te linken met Thomas van Aquino, Averroes, John von Neumann en het zenboeddhisme, om zo een beeld van het middeleeuwse mystieke denken te krijgen.

Daarbovenop komt een derde laag: het inzicht in hoe wetenschappelijke kennis ontstaat. Leerlingen verdiepen zich in hoe onderzoekers werken: hoe komen wetenschappelijke inzichten tot stand, welke methodes bestaan er en hoe verschilt onderzoek in taal- en literatuurwetenschap van onderzoek in wiskunde of natuurkunde? Leerlingen verkennen verschillen tussen alfa- en bètadenken en tussen historische bronnen en hedendaagse hypothesen. Die aanpak laat zien dat lezen nooit neutraal is, maar altijd verbonden met manieren van kijken naar de wereld.

“Zulke projecten ontstaan eigenlijk heel natuurlijk”, legt Peter uit. “In dit geval begon het gewoon met de collega wiskunde, Isar Goyvaerts, die toevallig langswandelde tijdens een verkennend schoolbezoek van Frank Willaert, en geïnteresseerd aanschoof. We hebben niet alleen een sterk team, maar bovendien een erg performante informele overlegcultuur op school, zodat ook onze collega filosofie, Bas Matthynssens, meteen lucht kreeg van dit project bij de lunch.” Voor ze er erg in hadden, ontstond er zo samen met Ann een nieuw project over de vakken heen, waarbij iedere leraar zijn of haar eigen expertise uitbreidde en vervolgens inzette.

Deze trajecten eindigen dus in twee masterclasses. Tijdens de projectdag zelf ontmoeten leerlingen de mediëvisten Willaert en van Oostrom, volgen ze lezingen, gaan ze in interactie met hen, nemen ze deel aan een practicum en sluiten ze af met een reflectie over de rol van “wetenschappelijkheid” in verschillende disciplines en over hoe dit traject hen voorbereidt op hoger onderwijs. Dat maakt het leren en lezen tastbaar, omdat ze deelnemen aan die dag vanuit hun opgebouwde kennis en vaardigheden.

Taal als cultuurervaring: het museumtraject

Via het Honoursprogramma Omzwervingen kunnen leerlingen vrijwillig tijdens hun middagpauzes deelnemen aan, bijvoorbeeld, een extracurriculair museumproject rond de expo Powder to the People. Hierbij werken leerlingen vanuit het essaygenre en lezen ze onder andere Narcokapitalisme van Laurent de Sutter, in een vertaling gemaakt door Bas en Peter. Na een analyse van verschillende teksten, gaan de leerlingen in gesprek over kapitalisme, geweld, macht en cultuur. Uiteindelijk schrijven ze essays die deel uitmaken van de expo in Sint-Niklaas. Dat maakt een wezenlijk verschil: leerlingen schrijven niet voor een cijfer, maar voor een publiek buiten de school. Het museumproject bouwt zo voort op eerder verworven schrijf- en analysevaardigheden, maar voegt een nieuwe maatschappelijke dimensie toe: hun ideeën krijgen een plek in de publieke ruimte. Taal wordt zo een middel om deel te nemen aan het maatschappelijke debat. En zo lopen er nog tal van projecten en leesprocessen op Scholen Da Vinci.

Dagelijkse lespraktijk: lezen als denkactiviteit

Deze grote projecten zouden weinig effect hebben zonder een dagelijkse lespraktijk die dezelfde principes ademt. In de lessen Nederlands is het klassikaal lezen van rijke teksten vaste kost. Nabesprekingen zijn interactief, waarbij leerlingen taal geven aan hun eigen lezing van de teksten. Schrijfopdrachten sluiten thematisch aan bij wat gelezen wordt. Luisteropdrachten bereiden dan weer inhoudelijk op de lectuur voor. Leerlingen reflecteren bovendien regelmatig op hun eigen leesaanpak: wat werkte, wat niet, en waarom? Ook creatieve werkvormen krijgen een plek, steeds met een eerste-hulp-bij-lezenkit, en steeds vanuit een bewuste leerlingenkeuze om hun leesvaardigheid te verhogen of te consolideren.

De leraren werken bewust aan de duurzaamheid van hun projecten, zodat ze haalbaar blijven. Tegelijk is er ruimte voor rotatie, het verschuiven van accenten en voor nieuwe ideeën. Die balans tussen continuïteit en vernieuwing voorkomt dat de werklast ontspoort en maakt het mogelijk om kwaliteit op lange termijn te bewaken. Docenten staan in dit proces ook open voor feedback van de leerlingen zelf. Zo pasten ze hun tekstkeuze aan na opmerkingen van oud-leerlingen, die aangaven een bepaald genre te hebben gemist tijdens de lessen.

Complexe teksten worden niet vermeden, maar samen aangepakt

Samenwerking als kern van succes

De kwaliteit van deze aanpak is mede te danken aan ervaren docenten die hun vakinhoud en didactische visie met elkaar verbinden. Leraren Nederlands zoeken actief aansluiting bij collega’s van filosofie en wiskunde, of vreemde talen. Vanuit gedeelde interesses ontstaan projecten, opdrachten en thematische lijnen. Directeur Sandra Flamen stimuleert deze cultuur door ruimte te geven aan initiatieven, het team te ondersteunen in haar werking, en door het belang van taal en lezen actief uit te dragen. Bovendien kan veel lesmateriaal intern ontwikkeld worden dankzij de uitgebreide expertise binnen het team. Tegelijk erkent de school dat er kansen liggen om deze expertise sterker te bundelen. Veel goede praktijken zitten nu in de derde graad, gedragen door gedreven docenten. De school onderzoekt hoe deze aanpak structureler ingebed kan worden in schoolbrede routines rond lezen en duidelijke verticale leerlijnen.

Effectief leesonderwijs

Wat Scholen Da Vinci laat zien, sluit nauw aan bij onderzoek naar effectief leesonderwijs in het secundair onderwijs. Alle trajecten vertrekken vanuit een gedeelde visie op lezen, die steunt op drie samenhangende pijlers. Docenten geven eerst heldere instructie door te modelleren hoe zij zelf een tekst benaderen en begrijpen, van oriëntatie tot het ontrafelen van complexe passages. Tijdens het lezen is er veel interactie: via vragen, korte opdrachten en gesprekken toetsen leerlingen hun begrip en scherpen ze hun interpretaties aan. De andere vaardigheden fungeren daarbij als een cruciaal middel om inzicht te verdiepen. Zo ordenen leerlingen bijvoorbeeld al schrijvend hun ideeën en geven ze betekenis aan wat ze lezen.

Deze aanpak sluit aan bij wat onderzoek benadrukt: leerlingen leren beter met kennisrijke thema’s, voldoende leestijd, kwalitatieve teksten en voortdurende interactie. Begrip verdiept wanneer lezen, spreken en schrijven met elkaar verbonden worden, en formatieve evaluatie laat docenten toe om gericht bij te sturen. Bij Da Vinci zijn dit geen losse didactische ingrepen, maar vormt het een gedragen onderwijscultuur waarin lezen tijd krijgt en de verwachtingen hoog liggen voor elke leerling.

 

Gerelateerde items